Waarom wij “achter de coulissen” jagen…
Waarom komen jagers er niet gewoon voor uit dat jagen voor hen een belangrijke bron van plezier is?
Waarom moet een jager er altijd bij vertellen dat hij in feite iets nuttigs doet voor het evenwicht in de natuur? Waarom kan een jager niet openlijk vertellen dat bijvoorbeeld de hazenstand dermate hoog is dat het simpelweg mooi is te kunnen “oogsten”.? Dit soort vragen stel ik me geregeld. En met mij, denk ik, andere jagers ook. En als ik dan in gezelschap iets vertel over mijn jachtactiviteiten, dan vertel ik er altijd over in een verontschuldigende en min of meer verantwoordende vorm. Bijvoorbeeld over de schade van sommige soorten op de stand van de bodembroeders. (Die argumenten doen het vaak erg aardig…) Of ik vertel over de landbouwschade door ganzen en eenden. Zodra ik echter een discussie begin over de bio-industrie, waar varkens en kippen massaal over de kling worden gejaagd (…) en dat het “oogsten” van wilde varkens in feite een stuk diervriendelijker is, dan kijkt men mij op zijn minst meewarig aan met de vraag in de ogen van wat heb jij idiote ideeën.
Afstand nemend van dit soort gebruikelijke discussies over standpunten over de jacht, denk ik te kunnen stellen dat hier in zijn algemeenheid niets bijzonders aan de hand is. De afkeer van veel mensen ten aanzien van de jacht is in feite de afkeer van vormen van waarachtig leven. Met waarachtig leven bedoel ik in dit verband dat we gedurende het beschavingsproces van vele eeuwen langzamerhand primaire uitingsvormen zijn gaan beschouwen als onbeschaafd. Jacht is een van deze primaire uitingsvormen.
In het beschavingsproces, zoals onder andere beschreven door Norbert Elias, zien we langzamerhand een scheiding ontstaan tussen waarden en normen. In de vroege middeleeuwen definieerde men in Duitse aristrocratische kringen het verschil tussen waarden en normen in termen van Kultur (waarden) en Zivilisation (normen). Zodra de normen niet meer een weerspiegeling zijn van de onderliggende waarden, dan stellen ze niets voor, was de opvatting. Dit proces van een steeds meer autonome ontwikkeling van de normen die we hanteren heeft er voor gezorgd dat tal van primaire activiteiten, zoals bijvoorbeeld het uiten van gevoelens en het, in het verlengde hiervan, uitkomen voor het plezier dat men bijvoorbeeld beleeft aan het uitoefenen van de jacht, steeds meer naar “achter de coulissen” is verplaatst.
Steeds verder is de pijnlijkheidsdrempel verschoven. De maatschappij werd fijngevoeliger. Zo is bijvoorbeeld het aan tafel opdienen van een heel varken, iets wat toch algemeen als normaal werd beschouwd, als gebruik volledig achter de coulissen verdwenen. Men wil wel vlees eten, maar niet die varkenshaas kunnen terug herleiden naar een dood varken. Samengevat kan gesteld worden dat mensen datgene terug willen dringen dat men als dierlijke trekken beschouwt. De verdere ontwikkeling van de techniek is een sterke bekrachtiging geweest van het steeds verder opschuiven van dit soort pijnlijkheidsdrempels. Paradoxaal genoeg is de bio-industrie hier een uitingsvorm van.
Jagers kunnen dus gezien worden als a-typische leden van onze maatschappij: ze vertonen dierlijke trekken en die worden niet meer als beschaafd, maar als barbaars betiteld. Ik vraag me trouwens af of de beschaafde mens van tegenwoordig in de kern een beter mens is als de mens van eeuwen geleden, die nog winden liet, openlijk de liefde bedreef, zijn neus snoot in het tafellaken en onbeschaamd zijn behoefte deed in het publieke domein. Let wel, ik pleit er niet voor alle oude gebruiken weer in ere te herstellen. Zeker niet. Ik wil er in dit artikel slechts op duiden dat jagen op zichzelf geen verfoeilijke bezigheid is. Het proces waarin normen een zelfstandige ontwikkeling hebben doorgemaakt en los zijn komen te staan van de onderliggende waarden heeft er in belangrijke mate voor gezorgd dat de jacht vandaag de dag wordt gezien als de uitingsvorm met een sterk dierlijke signatuur.
Mijn advies aan jagers is dan ook de discussies over de jacht vooral te voeren op het waarden-niveau. Maak gerust de vergelijking tussen de bio-industrie en het “oogsten” van hazen of wilde varkens. Een verdedigende opstelling in discussies over de jacht doet de jager per definitie aan het kortste eind trekken. Discussies over de jacht gaan in negen van de tien gevallen niet over de kern van de zaak, maar over het randgebeuren. Over de normen dus. Normen die los zijn komen te staan van de onderliggende waarden en dus eigenlijk van nul en generlei waarde zijn. De Flora- en Faunawet is hier het meest sprekende voorbeeld van. Jagers, wees trots op je jager-zijn!!!
P.S. Natuurlijk valt er nog een hele boom op te zetten over de zin en onzin van de jacht in ons drukbevolkte en dichtbebouwde Nederland. Ook jagers zullen zich hierin een houding moeten geven.



Geachte mr Waltman,
Wij moeten voor school een eindproject maken. Mijn vriendinnen en ik hebben gekozen voor het onderwerp JACHT. Natuurlijk is er enorm veel te vinden op het net tegen de jacht, maar wij willen ook de andere kant van de zaak weten. Ik ben op zoek naar de reden waarom jagers jagen. Of ze er plezier in beleven, het etisch aanpakken. Zou het mogelijk zijn om mij bij deze opdracht te helpen? U kan mij altijd contacteren via mail.
Vriendelijke groeten en alvast hartelijk bedankt.
Evelien Eeckhoudt