Monument voor de geknechte leraar
Geknecht en met gebogen hoofd staat zij daar. Het is niet de zware schooltas die haar rug doet krommen. Het is het spervuur van woorden als ‘achterhaald’, ‘niet flexibel’ en ‘weerstand’ dat op haar wordt afgevuurd. Vooral ‘weerstand’ treft haar in haar ziel. Ze praat namelijk graag over wat goed onderwijs is en hoe ze haar lessen kan verbeteren. Kritiek houdt je scherp, daar gaat ze graag op in. Maar haar mening telt niet meer. Haar mening heet nu weerstand. Een mening is reden voor discussie. Weerstand is reden voor een coach. Weerstand is jouw probleem. Bij de coach leert ze zich open te stellen voor verandering en haar oude, vastgeroeste manieren achter zich te laten. Met haar tijd mee te gaan. Als dat niet lukt, rest de ziektewet of misschien vervroegde uittreding. Verward en vernederd verlaat ze het onderwijs.
Het rapport Dijsselbloem legt pijnlijk scherp bloot hoe slecht critici van onderwijsvernieuwingen zijn gehoord. Hoezeer de kwaliteit van het onderwijs lijdt aan een autoritaire, slaafse cultuur. Hoe dissidente stemmen als ‘weerstand’ werden weggezet. Bewindslieden en hun adviseurs vertoonden tunnelvisie, stelt Dijsselbloem. Maar veel scholen deden ook braaf mee. ‘Het studiehuis werd door scholen – deels ten onrechte – als verplicht ervaren. Scholen bleken nog niet goed in staat de beleidsruimte die de wet wel liet, ook zelf in te vullen.’ (p.188)
De tunnelvisie was het grootst bij ‘externe procesmanagers’ die het ministerie had ingehuurd om, ‘bewust buiten het departement om’ (p. 129) vernieuwingen door te voeren. ‘De geluiden van vakdocenten, ouders en leerlingen klonken slecht door in het beleidsproces. De Kamer werd een breed draagvlak voorgehouden en slaagde er niet in erdoorheen te prikken.’ (p.188). Procesmanagers werden steeds meer de baas van proces én inhoud.
Zulke procesmanagers heb je ook buiten het onderwijs. Geselecteerd op het visieloos, hyperventilerend napapegaaien van de laatste beleidsmode. Niet gehinderd door inhoudelijke kennis – het gaat immers om het proces – transformeren ze vorm en inhoud tegelijk. Bezwaren vertragen het proces en moeten dus wijken. ‘Weerstand’ is het woord ter diskwalificatie.
De kritiek gaat ondergronds maar de problemen groeien. Tot de koers plots wijzigt. Het beleid maakt in zeiltermen een klapgijp: het zeil slaat onbeheerst om naar de andere kant. Wie niet snel duikt, kost dit de kop. De volgende mode breekt aan, met nieuwe procesmanagers en modewoorden. De gesmoorde critici van ooit zijn helden, terwijl nieuwe critici als vastgeroest worden weggehoond.
Scholen moeten kritischer omgaan met didactische vernieuwingen, stelt Dijsselbloem. De overheid moet vernieuwingen voorzichter, doordachter en meer wetenschappelijk onderbouwd doorvoeren. Vernieuwingen moeten slechts betrekking hebben op het wat, niet op het hoe van het onderwijs. Ten aanzien van het hoe moeten scholen meer autonomie krijgen. (Is een maatschappelijke stage nu wat of hoe? En is het oormerken van geld voor zorgleerlingen, zoals Dijsselbloem ook aanbeveelt, hiermee niet in tegenspraak? Oormerken betekent immers bepalen hoe scholen hun geld uit mogen geven?)
Kritieksmorende braafheid en klapgijpen worden met deze voorstellen onvoldoende aangepakt. Als vernieuwingen beter worden onderbouwd en scholen meer autonomie krijgen, belet niets ze om nog steeds braaf achter procesmanagers en hun laatste onderwijsmodes aan te lopen.
Om te voorkomen dat meningsverschil als weerstand wordt weggezet, is zorgvuldige organisatie van meningsverschil nodig. Organisatie van wat de Franse filosoof Michel Foucalt parresia noemt: het vrijmoedig en kritisch spreken van mensen die niet ‘aan de knoppen zitten’. Bij iedere mogelijke onderwijsvernieuwing moeten deskundigen, docenten, scholen, ouders en leerlingen worden uitgenodigd om het ermee oneens te zijn. Mensen die enthousiast zijn over wat ze doen, worden niet langer gediskwalificeerd als vastgeroest en ouderwets. Ze worden uitgedaagd om dat ouderwetse uit te dragen en te verbeteren. Om zich hartstochtelijk tegen de laatste mode uit te spreken en een heel ander onderwijsconcept uit te dragen.
Een democratische cultuur vereist niet alleen diversiteit van meningen, maar ook diversiteit van praktijken. Men moet de eigen visie ook met praktijkervaring kunnen staven en dankzij kritiek kunnen verbeteren. Laat de ene school of docent het studiehuis omarmen, maar nodig andere scholen uit te excelleren in klassikaal, Montessori, Vrije School of desnoods boeddhistisch onderwijs. Hanteer verschillende beoordelingsmodellen, die passen bij verschillende didactische concepten. Laat ze niet autonoom hun gang gaan, maar organiseer onderling debat en kritiek.
Verbied het woord weerstand in alle beleidsdocumenten. En knecht nooit, nooit, nooit meer de leraar die kritiek heeft op onderwijsvernieuwingen. Richt het boven beschreven monument voor haar op en plaats dat pontificaal voor het ministerie van OC&W.


