Hulpverlener, duik er bovenop
De modale hulpverlener heeft het geitenwollensokkentrauma achter zich gelaten. Maar hoe om te gaan met ‘zorgwekkende zorgmijders’? Jos van der Lans brengt de intuïtie in stelling tegen de bureaucratie.
Savanna is een trauma voor de jeugdzorg. De driejarige peuter werd zo mishandeld dat ze er uiteindelijk aan bezweek. Hoe kon het dat niemand ingreep terwijl zoveel hulpverleners bij het gezin betrokken waren? Voor Jos van der Lans staat Savanna niet op zichzelf. In Ontregelen – De herovering van de werkvloer geeft hij meer voorbeelden van laakbare afzijdigheid.
Wat dacht u van de twee agenten in Schiedam die voor de deur stonden te wachten op versterking terwijl binnen een man hoorbaar werd dood gemarteld? Van der Lans stelt dat het probleem in beide gevallen niet was dat de betrokken professionals hun werk niet deden. Het probleem was dat ze niets extra’s deden. Hij zoekt de oorzaak in twee richtingen. De ene heeft te maken met de beroepsopvatting en het zelfvertrouwen van hulpverleners. De andere met het bestuurlijke regime waaraan de hulpverlening is onderworpen.
In de jaren vijftig hadden hulpverleners een vanzelfsprekend gezag. Zij wisten wat goed was voor de mensen. Van terughoudendheid of afzijdigheid was geen sprake. In de jaren zestig en zeventig komt deze beroepsopvatting onder vuur te liggen. Het paternalisme van de hulpverleners wordt heftig bekritiseerd. Een hulpverlener mag niet zijn eigen normen opleggen, hij moet cliënten terzijde staan. Ook deze beroepsopvatting hield niet lang stand. De identificatie met de doelgroep was te groot. Van der Lans noemt dat het geitenwollensokkentrauma. Er naast gaan staan was naïef.
Hulpverleners gingen afstand nemen. Dat paste ook bij de tijdgeest van verzakelijking. Als mensen hulp wilden, dan moesten ze er zelf om vragen. Het gevolg was dat juist de mensen die het meest hulp nodig hadden aan hun lot werden overgelaten. ‘Zorgwekkende zorgmijders’ werden zulke tragische gevallen in het jargon genoemd. Ook mensen die anderen overlast bezorgden werden administratief tegemoet getreden.
Van der Lans geeft een voorbeeld van een corporatiemedewerker die naar een woning gaat om te controleren of er sprake is van overhangende takken, daarna gaat zij terug naar haar kantoor om een brief te schrijven waarin de bewoner wordt gemaand de boom te snoeien. Als dat niet gebeurt, volgt een maand later nog een brief. Ondertussen escaleert het conflict. Had dat niet voorkomen kunnen worden als de medewerker na het bezoek aan de tuin even had aangebeld? Volgens van der Lans worden de problemen van deze afzijdigheid steeds meer onderkend. Er zijn weer hulpverleners die erop af durven gaan. Zo is het huisbezoek in ere hersteld.
In de politiek heeft sturing van de hulpverlening vooraf plaats gemaakt voor controle achteraf. Het geloof in de maakbare samenleving is ingeruild voor een beheersende technocratie. Welzijnsinstellingen, ziekenhuizen en scholen hebben meer vrijheid gekregen, maar worden wel afgerekend op hun resultaten. Aspecten van het werk die niet gemeten kunnen worden, komen zo onder druk te staan. Van der Lans vindt het een systeem van ‘geformaliseerd wantrouwen’.
Van der Lans houdt terecht een pleidooi voor de mensen in het veld. Daarin staat hij niet alleen. Alle politieke partijen nemen het tegenwoordig op vóór de agent, de verpleger en de onderwijzer en tégen de manager. Maar deze solidariteit met de professional leidt soms tot nostalgische oplossingen. Als de politiek zich maar op afstand houdt en de manager ook, krijgt de professional zijn vrijheid terug en komt alles goed. Dat is een te gemakkelijk excuus. Zij kunnen veel meer dan zij met hun klaagzangen soms willen doen geloven.
De ‘romantisering van de professional’ inspireert Van der Lans tot anarchistische oplossingen. Zo wil hij dat zij het recht hebben om hun medewerking aan registratiesystemen op te schorten als ze niet zien hoe dat hun werk verbetert. Maar in zijn wens om de bureaucratie te bekritiseren, vergeet hij even zijn haarscherpe analyse van de beroepsopvatting van de gemiddelde professional. Die is vaak risicomijdend en hecht aan routines.
Van der Lans heeft een blinde vlek voor hulpverleners die hun autonomie gebruiken om vast te houden aan methoden die aantoonbaar niet werken. En wat te doen met vakmensen die hun boekje te buiten gaan? De ombudsman in Rotterdam was niet te spreken over interventieteams die het met de rechten van hun cliënten niet al te nauw namen en zich onder valse voorwendselen toegang verschaften tot hun huis.
Uiteindelijk beseft Van der Lans ook wel dat het te simpel is om professionals domweg hun zelfstandigheid terug te geven. Zijn pleidooi voor het versterken van de professionaliteit van de vakmensen is mij liever. Daarbij kunnen cijfers en rapportages behulpzaam zijn.
Professionals mogen niet louter vertrouwen op hun intuïtie. Maar die intuïtie is wel belangrijk. Want anders krijgen we agenten die voor de deur blijven wachten hoe binnen iemand wordt dood gemarteld, of hulpverleners die niet ingrijpen als een peuter wordt mishandeld.
Bron: de Volkskrant, Boeken, 21 maart 2008


