Burgerinitiatief voor kleinere klassen
Veel bijval kreeg mijn pleidooi voor klassen van maximaal 15 leerlingen (7 januari, zie vk.nl/opinie). ‘Kleinere klassen = meer individuele aandacht van de leerkracht = betere resultaten’, schreef Jack. ‘Hebben we dat dan nog niet geregeld? Als de bliksem!’, vond Dre Oudman. Henk pleitte voor een burgerinitiatief. Ina en Wim Jansen, lang werkzaam geweest in het onderwijs, sloten zich spontaan aan. Een ouder beklaagt zich dat zijn kinderen ‘de laatste jaren in klassen van rond de veertig’ zaten. Een manager kan maximaal tien werknemers goed begeleiden, stelde Lidy Broersma, dat zegt genoeg over wat je van docenten mag vragen. Ook Ethereal vond 15 leerlingen nog te veel, liever 8 tot 10. De afgelopen eeuw hebben we betere huizen, betere zorg, meer vakantie en kleinere gezinnen gekregen, stelt Hannes Minkema. ‘Alleen onze kinderen stoppen we nog steeds elke dag met 30 tegelijk in te kleine klaslokaaltjes’, alsof ‘het beschavingsoffensief de school niet heeft bereikt’.
Maar Aleid Truijens ziet er niets in (Forum, 13 januari). Kleinere klassen prettiger zijn voor leerlingen en docenten, erkent zij, maar dat is geen reden om ze in te voeren. Zelf vind ik dat op zich al genoeg reden. Leerlingen en leraren brengen het grootste deel van hun tijd door op school. Meer kwaliteit van leven voor miljoenen Nederlanders door kleinere klassen, is dat niet geweldig?
In1995 bleek dat Nederland klassen groter waren dan die van andere landen. De politiek besloot daarop tot klassenverkleining naar maximaal 25 leerlingen. Maar vanwege de vrijheid van onderwijs wilde men dit niet dwingend opleggen. Daardoor is het nooit echt van de grond gekomen. Scholen kregen vanaf 1997 extra budget, voor bijvoorbeeld of een tweede docent in de klas, of andere extra krachten, zoals logopedisten, of managers. Een kleinere klas was van dat geld zelden haalbaar. Daarvoor moet de hele school herordend en heb je extra lokalen nodig.
Kleinere klassen mogen prettiger zijn,‘maar zolang het effect van kleinere klassen op leerresultaten niet is aangetoond’, vindt Truijens het onverstandig er overheidsgeld aan te besteden. Ze verwijst daarbij naar onderzoek van Annevelink en van bureau McKinsey. McKinsey concludeerde uit internationale vergelijkingen tussen onderwijsprestaties dat hoog scorende landen als Hongkong, Korea en Finland grote klassen hebben, maar het goed doen, dankzij strenge selectie, goede opleiding van docenten en hoge eisen aan alle leerlingen.
In een artikel uit 2004 onderzoeken Annevelink e.a. effecten van het Nederlandse beleid van 1997. Omdat er van echte klassenverkleining dus nauwelijks sprake was, trekken ze conclusies over de effecten via een hypothetisch model. Een klas van 30 leerlingen met twee opgeleide docenten geldt in hun onderzoek als een klas van 15. Met één opgeleide en een onopgeleide docent geldt het als een klas van 30. Op basis van dergelijke vergelijkingen doen ze uitspraken over de effecten van klassenverkleining. Over echte klassenverkleining gaat het dus nauwelijks.
Het McKinsey rapport signaleert weinig positieve en soms negatieve effecten van klassenverkleining. Het gaat echter over situaties waarin klasssenverkleining met gelijkblijvend budget werd doorgevoerd. Er wordt dus op andere zaken bezuinigd. Logisch dat dat geen succes is. Het zegt niks over kleinere klassen. Het zegt alleen iets over kleinere klassen plus onderwijsverslechtering. Ook de conclusies over Korea, Hongkong en Finland zijn omstreden. Die landen hebben iets anders gemeen, namelijk dat kinderen met leerproblemen in kleine groepjes extra aandacht krijgen, stelt de Duitse onderzoeker Hagemeister (2006, zie beteronderwijsnederland.net).
Er is veel buitenlands onderzoek dat positieve effecten van kleinere klassen aantoont. Een Amerikaanse studie vergeleek bijvoorbeeld drie jaar langde prestaties van klassen van 16 met klassen van 24 leerlingen. De kinderen van kleinere klassen presteerden na drie jaar in alle opzichten beter. Dit gold vooral kinderen van laag opgeleide ouders (die in Annevelinks onderzoek nauwelijks voorkwamen). Annevelink zag zelf trouwens ook voordelen aan kleine klassen. Kinderen in kleinere klassen hebben meer interactie met de docent, zijn taakgerichter en worden minder snel afgeleid, vertelde ze aan UT-nieuws (2 september 2004). Alleen de taalprestaties verbeteren niet aanmerkelijk, mogelijk doordat ‘docenten nog niet optimaal gebruik maken van de voordelen die een kleine klas biedt’.
Kleinere klassen blijven dus uitstekend idee. Tijd voor een burgerinitiatief!


