Het kind als machientje deel 7
Een oppositionele gedragsstoornis met Gille de la Tourette
Roberto was 5 jaar bij plaatsing op de toenmalige kleuterafdeling van de Lom–school. Het plaatsingsrapport was gevuld met onderzoeksverslagen van een kinderpsychiatrische polikliniek. Hij werd getypeerd als een zwakbegaafd ventje met een oppositionele gedragsstoornis en Gille de la Tourette, waarvoor medicatie. De achtergrond werd onrustig en beperkt genoemd. Een zwakbegaafde moeder van 21, een vader die het eerste jaar schreeuwend aanwezig was en daarna vertrok, vervolgens wisselende vrienden van moeder.
Moeder woonde nu alleen met Roberto en oma MZ had veel bemoeienis. Een zwak sociaal, blank, Haags binnenstadsmilieu, om het even grofweg te typeren. Op de kleuterafdeling bleek al snel dat er weinig met hem te beginnen was. Hij zonderde zich af, reageerde heel agressief op de andere kinderen als die zich met hem wilden bemoeien, deed meestal niet mee met de groepsactiviteiten en luisterde niet naar de volwassenen. Hij had allerlei grimassen in zijn gezicht, liep veel te spugen, zowel buiten als in het gebouw zelf. Opvallend was zijn gefascineerdheid door een tekenfilm die zich grotendeels onder water afspeelt, nl. Disneys De Zeemeermin.
Ik leerde Roberto wat beter kennen toen ik mee ging op schoolkamp. Ik vond het meteen een heel verwaarloosd en aandoenlijk ventje en dat had hij wel door. Hij wilde bij mij in de auto naar de kampbestemming in Soest en volgde mij de eerste dag als een schaduw. Als ik naar het toilet moest, zat hij tegen de deur te wachten. Aan tafel kroop hij naast mij en alleen als ik zijn boterham klaar maakte of zei dat hij moest eten, deed hij dat. Toen de groepsleerkrachten en assistentes ontdekten dat Roberto naar mij wel wilde luisteren, lieten zij hem geheel aan mij over. Na het avondeten was hij niet onder de douche te krijgen en na enige aandrang liet ik het maar zo. Vervelender was dat hij ook niet naar bed wilde. Hij reageerde zeer angstig en opgewonden bij het idee dat hij in een apart kamertje moest gaan slapen. “Je bent een beetje bang,” zei ik. “Niet,” zei Roberto weinig overtuigend, “maar ik slaap nooit.” Om half tien vonden wij een werkbaar compromis. De deur van het slaapkamertje bleef open en hij ging zo in bed liggen dat hij mij kon zien zitten. Zo viel hij deze en de komende avonden in slaap. De douche bleef de hele kampweek een taboe. Met een washandje poetste ik hem af en toe een beetje schoon.
Na deze kampweek bleef Roberto mij opzoeken als ik op school was. Hij draaide dan wat om mij heen en vroeg meestal of hij even op mijn schoot mocht zitten. Het waren ook de enige dagen dat hij in de groep wat gezeglijker was. Ondertussen was op verzoek van de school een hernieuwde kinderpsychiatrische onderzoeksronde gestart omdat hij te onaangepast bleef om op een school te kunnen functioneren. Moeder had mij verzocht om mee te gaan naar de kliniek omdat het haar niet lukte om ervoor te zorgen dat Roberto mee ging met de mensen die hem moesten onderzoeken. Ik deed dat een paar keer en zo raakte ik met moeder wat verder in gesprek.
Al snel vertelde zij de meest gruwelijke verhalen over wat Roberto als peuter en kleuter had meegemaakt. Een van die verhalen was dat een van haar vrienden Roberto met geweld onder de douche had gezet en hem daar had opgesloten. Toen Roberto uit angst in de douche had gepoept, was die vriend zo kwaad geworden dat hij de ontlasting in Roberto’s mond had gepropt. Er waren nog andere verhalen die duidelijk maakten dat Roberto ernstig bedreigd en mishandeld was gedurende langere tijd en door verschillende volwassenen.
Op de eindbespreking van de kinderpsychiatrische kliniek werd ik als vertegenwoordiger van de school uitgenodigd. De onderzoeksverslagen werden besproken en in hoofdlijnen opnieuw dezelfde conclusies getrokken: zwakke achtergrond, onderstimulatie en matige verzorging, I.Q. op MLK–niveau, oppositioneel ingesteld, tic–stoornis, wellicht andere medicatie en, gezien de berichten van school: residentiële opvang en behandeling in een orthopedagogisch behandelingsinternaat met eigen schoolvoorziening.
Kennelijk was het alleen de bedoeling dat ik namens de school het advies aanhoorde, maar ik kon het toch niet laten om te vragen of ik nog wat informatie mocht toevoegen. Men was te beleefd om nee te zeggen. Ik vatte de verhalen van moeder samen en meldde het douche–verhaal wat uitvoeriger. Ik gaf aan het voor de hand liggend te vinden de tics zoals het spugen en de opvallende watervrees en fascinatie in verband te brengen met dat verhaal. Ik ging in op zijn afwerende opstelling en zijn grote angsten als zijnde gevolgen van systematische mishandeling door vader en vrienden van moeder in situaties waarin moeder niet in staat was om hem te beschermen. Kortom: ik probeerde het beeld te schetsen van een ernstig getraumatiseerd jongetje dat dringend therapie nodig had en daar, naar mijn ervaring, ook wel voor bereikbaar was. Mijn woorden vielen in een stilte van onwelwillendheid en wellicht ook onbegrip die ik mij nu nog steeds — het verhaal speelt zo’n twintig jaar geleden — gemakkelijk kan herinneren.
Alsof ik met onsmakelijke verhalen de diagnose Gille de la Tourette had willen aanvallen, alsof ik geheel onnodig en onaangekondigd een helder beeld van de problematiek had willen verstoren. De enige reactie van dat forum was dat mijn visie aan het verslag zou worden toegevoegd. Het was voor mij een indringende confrontatie met de opleving van het medisch model en het categorale denken. Daar is de kiem gelegd voor mijn opstandigheid tegen deze wijze van benaderen, een opstandigheid die tot op de dag van vandaag voortduurt.
Deel 8 op 25-2-2010


