Het kind als machientje deel 12
Rutger Kopland
Rutger Kopland is dichter. Hij geniet aanzien als dichter, hij kreeg de PC Hooftprijs. Maar hij is ook biologisch psychiater. Zo noemt hij dat zelf. Dan heet hij zoals hij echt heet: Rutger van den Hoofdakker. Hij was hoogleraar in Groningen, en werkte samen met het boegbeeld van de Nederlandse biologische psychiatrie: Herman Van Praag. Maar hij was — inmiddels is hij een aantal jaren met pensioen — ook en vooral praktiserend psychiater.
Dichters hebben contact met het Hogere. Dat spreekt vanzelf. Psychiaters hebben contact met mensen. Zij zijn arts, zij willen helpen, genezen. Dat is een roeping als het goed is. Zij hebben ook contact met het lagere. En zeker biologische psychiaters hebben dat: contact met het lagere. Een interessante combinatie dus: biologisch psychiater en dichter. Heeft hij een mening over de mens als apparaat? Ja dat heeft hij.
“Ik heb,” schrijft Hoofdakker alias Kopland in zijn Trimbos lezing van 1996, “ik heb de verleiding gekend en ken hem nog van de speelgoedmetafoor. Men stopt een stof in een vastzittend individu en ziedaar, het individu komt weer op gang. Ik draai aan het sleuteltje, vul het energiereservoir, en daar gaat hij weer. En binnenin zit een mechaniekje dat die energie omzet in gedrag. Dat stond stil. Daarom stond het speelgoed stil. Dat klopt.”
“Ik heb,” vervolgt hij dan, “geen bezwaar tegen mechanistische voorstellingen. Maar ik denk dat de metafoor van het speelgoed ons niet verder zal brengen, sterker nog, ons van de regen in de drup zal helpen. Het centrale punt is dat de mens niet in een psychologisch of sociaal vacuüm leeft, maar in een context. Hij kan niet behandeld of bestudeerd worden zonder die context.”
Nee, Kopland gelooft niet in mindless psychiatry. Hij herinnert zich met weemoed zijn samenwerking met de huisarts Van Lith de Jeude. “Ik,” schrijft Kopland, “ik ben blij dat ik bij hem heb gewerkt, dat ik heb gezien dat je als arts kunt aanvaarden dat mensen zijn zoals ze nu eenmaal zijn en dat veel van hun klachten alleen begrepen kunnen worden als je hun levensverhaal wilt kennen. Dat verhaal omvat meer dan een rijtje symptomen van een individu, het omvat de hele mens en zijn of haar context. Het zijn grote woorden, maar het is niet anders.” (Misschien overbodig als ik hier even tussenvoeg: kinderen zijn ook mensen. Ik hoop maar dat het overbodig is. Alhoewel.)
Wat Kopland vervolgens doet, in een andere lezing, is met nadruk wijzen op het belang van de relatie in diagnostiek en behandeling. Niet alleen vanwege een humanistische grondvisie, maar op grond van wetenschappelijke, theoretische en empirische evidentie. Ik citeer hem opnieuw: “Het wordt steeds duidelijker dat er vrijwel geen medische problemen zijn waarbij psychosociale aspecten geen rol spelen, of het nu gaat om veroorzaking, verloop, preventie of behandeling. Men hoeft geen wereldvreemde holist te zijn om toe te geven dat voor de analyse van een medisch probleem een stethoscoop, een bloedmonster en een scan vrijwel nooit voldoende zijn, maar dat er zoiets als een gesprek nodig is. Evenzeer wordt het toenemend duidelijk dat een zeer groot deel van het succes van medisch handelen te danken is aan onbekende mechanismen, waarin de arts – patiënt relatie een belangrijke rol speelt.”
En dan maakt Kopland werk van wat er naast het instrumentele gedrag aan affectief gedrag van de arts moet zijn en hij noemt: respect, warmte, echtheid, acceptatie en jawel empathie. Niet omdat het op zich belangrijk is om aardig te zijn voor je cliënten, maar omdat het noodzakelijk is om kennis te verwerven over de ander. Empathie of echte betrokkenheid is zich voorstellen hoe het geweest moet zijn om het leven van de ander geleefd te hebben. Empathie behelst: zich verplaatsen, zich concreet voorstellen wat de ander gezien, gevoeld, gedacht, ervaren heeft en hoe dat zijn wereld heeft gevormd. En nu citeer ik weer: “Mijn ervaring en mijn overtuiging,” schrijft Kopland, “zeggen me: empathie is een noodzakelijke voorwaarde voor het overgrote deel van de diagnostiek en het overgrote deel van het therapeutisch handelen.”
Deel 13 op 1-4-2010


